![]() |
| Kaasjeskruid, de noordwestelijke Mini-kapok, een wild groeisel. |
![]() |
| Het blad van kapok: handvormig en los, waar het Kaasjeskruidblad ongedeeld is. |
![]() |
| Hoe enorm de kapokboom ook wordt, zijn bloemen lijken op die van Kaasjeskruid: veel meeldraden en 5 kroonblaadjes. |
Tropische planten
en neven en nichten in
noorden en zuiden
![]() |
| Zo gaat de Kapokboom verder: een stam met dikke,witte stekels, maar dan vele malen dikker dan deze en minimaal 70 meter hoog met plankwortels. FOTO'S INTERNET |
Kijk, dat vind ik nou zo mooi aan planten: als je ze eenmaal
gevonden hebt, dan heb je ook alle tijd om ze te bekijken in al hun blad- en
bloemenpracht. Ze rennen niet weg, ze blaffen of bijten en krabben niet.
Vliegen je niet aan met hoorns of poten te klauw. Maar wiegen juist met hun
bloemen of vruchten in alle kleur- en vormrijkdom zachtjes op en neer in een
zoel windje onder je neus. Daarbij kunnen ze flink stinken, maar ook heerlijk
geuren. Je kunt een bloemetje plukken, nota bene het geslachtsorgaan van een
plant, of een blad, vergelijkbaar met een hand, de plant zal zich niet echt
verweren of gaan gillen. Daarom houd ik van planten, sterker nog, ik ga vaak
voor ze op m mijn knieën, alsof ik ze aanbid. Alsof?
Planten blijven altijd staan, waar ze staan, de dapperen, onverschrokkenen.
Helemaal weerloos, onschuldig of naïef
zijn ze niet: vaak met sterke gifstoffen in hun sapstroom, forse
weerhaken, stekels, doornen en brandharen verweren ze zich tegen plukken of
afgrazen. Hun belangrijkste bijdrage aan onze planeet is de productie van
zuurstof via fotosynthese, de aanmaak wereldwijd van gezonde voeding; denk eens
aan rijst, granen en fruit. Planten versieren niet alleen onze planeet, ze
dragen nagenoeg alle leven en zullen ook het klimaatprobleem op de lange
termijn oplossen door grootschalige opname van het broeikasgas kooldioxide .
Ondanks hun dappere standvastigheid hebben planten, bloemen struiken en bomen
zich vanuit de altijd lekker warme tropengordel tussen de kerkringen over de
hele aardbol verspreid in de loop van miljoenen en miljoenen jaren. Geholpen
door vliegpluis, weerhaakjes, windvleugeltjes, stofzaad en allerhande andere
trucs zijn alle plantenfamilies door de klimaatgordels op weg gegaan en hebben
hun uiterlijk en verdedigingsmiddelen tegen de kou en nieuwe vraatzuchtige
beesten aangepast.
Zo is de stelling gerechtvaardigd dat nagenoeg alle tropische planten verre
neven en nichten hebben in de subtropen en ook het hoge noorden. Dat dank je de
koekoek, hoor ik nu iemand hardop denken. De plantkunde als wetenschap is door
Carl von Linné (Carolus Linnaeus, afgestudeerd
aan de universiteit van Harderwijk) in de achttiende eeuw opgezet. Geen wonder
dat men door vergelijking alle tropische planten heeft getracht onder te
brengen in de al langer beschreven Europese soorten. DNA-onderzoek heeft
duidelijk gemaakt dat er ook van werkelijke verwantschap op basis van genen
sprake is.
Op de biologische historie of evolutie van planten
kunnen we ons nauwelijks verlaten. Dieren, vooral hele grote laten hun dikke
botten en hoorns en tanden in de aardkorst achter als fossiel. Maar wat blijft
er, ocharme, van tere stengeltjes,
takjes, bloemetjes en blaadjes over na miljoenen en miljoenen jaren? Een afdruk
in leisteen, zandsteen of kalksteen, als je geluk hebt. Er is nog het nodige
bekend van hoe planten ontstonden en hoe ze zich door de aardgeschiedenis
hebben heengeslagen als echte overlevers. Hoe ze zich ontwikkelden uit groene
algen en de eerste miljoenen jaren alleen bestonden uit vorkachtig vertakte
steeltjes met een bolletje aan het eind, waarin sporen zaten. Na sporen kwamen
zaden, eerst naakte zaden, daarna zogenoemde bedektzadigen. In de vroegste
tijden geen blaadjes, geen bloemen en weinig gave fossielen of fossiel
afdrukken omdat rottend plantenmateriaal in water bijeendreef en bewaard bleef
als ‘haksel’, een soort onontwarbare andijviestamppot, maar dan superoud. In
het Devoon, 410 tot 360 miljoen jaar geleden, zien we iets dat op boompjes van
een paar meter lijkt en de eerste zaadplanten, maar in het Carboon, het
volgende geologische tijdvak gaat de plantenwereld helemaal los in een bijna
totale bosbedekking van alle continenten met moerassen vol woudreuzen als hoogtepunt.
Pas in het Krijt (145 tot 66 miljoen jaar geleden) gaan de eerste bloemen open.
Van Magnolia-achtigen en een Chinese bloeiende plant zijn afdrukken gevonden.
De planten, bloemen en bomen van vandaag de dag zijn dus in hun huidige vorm
betrekkelijk recent ontstaan. Anders dan bij dieren zijn geen lange
afstammingslijnen vast te stellen of verwantschappen te baseren op gezamenlijk
voorouders. Kijken en vergelijken en ook DNA-onderzoek moet het enorme plantenrijk
dus ordenen. Op internet is de website van Hans Steur geheel aan fossiele
planten gewijd: www.fossieleplanten.nl op basis van zijn in vele jaren verzamelde afdrukken
en versteningen. Indrukwekkend en boeiend!
Kikken, dat vind ik het! Om in een boek als ‘Elseviers Gids van Tropische planten’ (1982) na te
slaan, dat de koffiestruik thuishoort in de familie van de Walstro-achtigen. De
tropische koffie ziet eruit als een glanzend groene rododendronstruik vol met
groene en rode bessen, maar als je de gedetailleerde foto’s op het net bekijkt
van de bloemen, dan zie je dat de felwitte stervormige bloemen net zo in
kransjes gerangschikt staan rond de stengel als die piepkleine bloemetjes
van tuinplaaggeesten als Kleefkruid of
als Kalkwalstro in de bermen van het Limburgse Mergelland. Bij die vergelijking
moet ik de aandrang onderdrukken om ongebrande bonen in potjes op de vensterbank
te gaan zaaien en beschutte zuidplekjes in mijn tuin te gaan zoeken voor mijn
eigen koffieplantage. Of op de zaadjes van de hier groeiende walstrootjes te gaan
roosteren. Natuurlijk: verspilde moeite na een nachtvorstje in oktober of mei
.
Van de orchideeënfamilie, ruim dertigduizend soorten
groot wist iedereen het natuurlijk al: Dat die prachtige rode, paarse, witte en
groengeelachtige bloemaren,zeldzaam in bermen en langs bospaden in Europa
rechtstreeks ‘noonk en tant’ moeten zeggen tegen die prachtige grote
gebeeldhouwde bloemkunstwerken in de oksels van regenwoudbomen in de tropen.
Bij ons worden soms hele velden en graslanden vol met deze prachtige schatjes
elk jaar weer afgemaaid door pure onkunde van Rijkswaterstaatkloten en hun
trawanten. Soms zijn echt geïnteresseerde mensen diep teleurgesteld als ze zien
hoe petieterig klein onze Europese deetjes zijn vergeleken met hun tropische
familie, Maar houdt eens een bloemetje van de Breedbladige Wespenorchis naast
een grote Cymbidium, thuis in smoorheet Zuid-Oost-Azië. Die twee zijn afgezien
van het verschil in omvang, toch één gezicht.
![]() |
| Breedbladige Wespenorchis, uitvergroot, want heel klein het echt. |
![]() |
| Cymbidium-bloem, klassieke tropische orchidee. FOTO'S Internet. |
Nog een paar relaties:
* De
Franse wijngaardwoekeraar Pijpbloem en de
oerwoudliaan Aristolochia met zijn soms meer dan handgrote paarsgeaderde
bloemen.
* De
prachtig blauwe Ipomoea en ons rose-witte kleine Pispotje of Heggewinde.
* De teakboom hoort thuis in de IJzerhardfamilie (Verbena).
De teakfamilie met zijn prachtige duurzame hout, mits gekweekt op plantages,
ziet er in onze boreale bermen uit als een nerveus, spichtig kruid met stengels
vol pieperige bloemetje. Het kan nauwelijks concurrentie verdragen.
*De
avocado is een laurier, maar dan in boomvorm.
* Bombax ceiba en Ceiba pentandra
zijn twee namen voor de indrukwekkendste tropische boom die ik totnutoe heb
ontmoet in mijn rondlezerij. Kapokboom is de naam, een regenwoudreus die overal
war hij voorkomt de nodige meters boven het glanzend groene tropische bladerdak van het regenwoud uitsteekt,
omdat hij ruim zeventig meter hoog kan worden en stevig in de bodem verankerd
staat met zijn enorme plankwortels. Ook met grote ronde stekels op zijn stam
maakt hij indruk en door het feit, dat zijn takken met de kenmerkende, spitse
zevendelige bladeren (als een
uitgestrekte hand), dat die takken dus horizontaal van de stam afgroeien.
Bombax is een van de geslachtsnamen van een variatie op deze boom, de Indische
kapokboom, en dat woord is in het
klassiek Latijn een felle uitroep van verbazing: verdorie, verdikkeme. Nee, he?
En dat is terecht, want iedereen, die in het regenwoud tegen deze boom oploopt,
om het zo maar eens te zeggen, is onder de indruk van de afmetingen van deze
boomreus. Bovendien hebben generaties Nederlandse kolonialen hun kussens en
matrassen gevuld met de zaadharen, de kapok, afkomstig uit de enorm lange
peulen. De Maya-Indianen in Midden-Amerika (Yucatan, Mexico,) geloofden dat
deze enorme boom de verbinding vormde tussen onderwereld, aarde en hemel en
noemden hem daarom heilig. Samen met twintig tropische soortgenoten heeft deze
knoeperd lang een eigen plantenfamilie gehad, maar modern onderzoek heeft aan het
licht gebracht dat hij thuishoort bij zoiets simpels als de
Kaasjeskruidfamilie. In het noorden is dat een club van simpele wilde planten,
die niet hoger worden dan een kleine meter en vrolijke helpaarse bloemen dragen
met vijf kroonblaadjes en een soort poederkwast van vele meeldraden rond de stamper. Een nederige plant
ion variaties als Groot K. Muskus K. en vijfdelig K. De Malvafamilie met daarin
ook grotere Kaasjeskruiden, zoals de zeer geliefde Stokrozen in allerlei
kleurslagen, zachtroze heemst en knalroze Lavatera. Het is onvoorstelbaar dat
zo’n enorme gigant in onze streken genetisch verschrompelt tot zo’n simpel wild
plantje. Groot Kaasjeskruid is de allereerste plant die ik al beginnende
lagereschoolleerling rond 1956 op naam wist te brengen, vooral aan de hand van
de als een kaasje gerangschikt zaden in de verdroogde bloemen. Ik stond op een
ruig begroeid (bijvoet, grassen enz.) braakliggend terrein bij de meisjesschool
aan de Noormannensingel in Wijkerveld, Maastricht-noord. Misschien was ik zes,
zeven? Een opvallen paars bloemetje met donkere strepen op de bloemblaadjes.
Gevonden in een simpel boekje over wilde bloemen. Ik was apetrots. Blijkt dat
nu een volle neef te zijn van een van de allergrootste woudreuzen. Het moet
niet gekker worden.
(Zie
ook:http://www.botaniewebsite.nl/kapokboom.html)
Dat wordt het toch. Want we zijn nu aan de bananenboom gekomen. De pisang van de Indonesiërs,de 香蕉 (xiang1jiao1) van de
Chinezen. Dat is de uitzondering op de regel. Om te beginnen is de bananenboom
geen boom, want de stam van de plant bestaan uit kunstig om elkaar heen
gevouwen en rondgerolde bladeren, die zich aan de top ontvouwen en dan ook de
prachtig donkerrode vruchtstengel doorgang verlenen. De banaan is het grootste
kruid ter wereld met en hoogte van zes tot tien meter, want er zit geen
vezeltje houtwerk aan.
![]() |
| Beginnende Cubaanse banaantjes: verwaarloosbare bloemetjes, geen bestuiving en toch heerlijke vruchten. FOTO FLOOR |
Geprakte banaan, dat is vaak het eerste vaste
voedsel dat mensenbaby’s over de hele wereld met smaak verorberen als variatie
op melk of pap. Deze handig verpakte vrucht in een prachtig geel foedraal is
botanisch eigenlijk een wonder, want de meeste gegeten bananen ter wereld, de
zoete banaan en de bakbanaan bevatten geen zaden, enkel pulp met als zaadresten
wat zwarte vlekjes. Deze bananen kennen geen plantensex, ik bedoel uitwisseling
van genen via meeldraden en stamper, want de mannelijke bloemen zijn steriel
(geen stuifmeel) en de vrouwelijke bloemen groeien uit tot zaadloze vruchten
zonder dat er een bestuiving plaatsvindt. Dat is het resultaat van eindeloos
kruisen van wilde soorten al vanaf het jaar 10.000 voor onze jaartelling in
Zuid-Oost-Azië, voornamelijk Indonesië en Thailand, het thuisland van de
banaan. De smakelijke banaan moet het dus hebben van zijn wortelstokken en
–knollen om zich voort te planten en te verspreiden. En van de mens, want
overal waar de zwervende, jagende en verzamelende mens zich tussen de
keerkringen tijdelijk neerliet in kampen had hij wel een stukje bananenwortel
bij zich en later deden de muzelmannen bij hun uitzwerming over de wereld
hetzelfde en de Portugezen zorgen ervoor dat de banaan van extreem oostelijk
uiteindelijk extreem westelijk in Zuid- en Midden-Amerika terecht kwam.
Welnu, dit favoriete
primatenkostje,
heeft geen enkele neef of nicht buiten de tropische streken, al zijn er genoeg
tropische soorten ondersoorten, variaties en wat die meer zij. Er bestaat geen
lullig bv noordwestEuropees plantje dat zich rechtstreeks verwant mag noemen
aan de ‘bananenboom’, hoezeer generaties plantkundigen er ook naar gezocht
hebben. Dat komt natuurlijk omdat het om een kruidachtig wezen gaat. Een blad
vriest nu eenmaal sneller kapot dan een dikke houten tak vol goed beschermde
sappige vaten. De banaan vriest op onze breedtegraad tot moes en kan zijn
wortels met moeite in de bodem in leven houden om in de lente met moeite weer
uit te lopen. Aan bloeien komt-ie niet toe omdat het groeiseizoen te kort en te
koud is. Basta! Als al van de machtige kapokreus
niet meer dan een kaasjeskruidje in onze winters overblijft… Trouwens ook
binnen het netwerk van tropische plantenfamilies is de banaan moeilijk te
plaatsen. Veelal wordt de Strelitzia of Paradijsvogelbloem en de Heliconia
(hangende vlezige, spitse felgekleurde bloemen in geel of rood op juist rechtopstaande) als naaste
bananenverwant aangewezen. Onze smikkelbanaan zelf heeft wel een geslachtsnaam
Musa, maar geen soortnaam. Daarvoor is de afkomst, de veredeling, de kruising
en de selectie veel te duister. Bananen zijn gewoon te lekker, vind ik.
BUNTER







Geen opmerkingen:
Een reactie posten